'Het museum' (8) // 'De grote sprong van goudvis Tom' // De Standaard

  • Share on:

Elke week schrijf ik een voorleesverhaal bij een werk dat mij opvalt in een museum of tentoonstelling. Deze week: ‘In afwachting’, een werk van Joos Vincent de Vos, dat in het Broelmuseum in Kortrijk hangt.

De grote sprong van goudvis Tom

Vroeger woonde ik met 500 familieleden in een groot aquarium. Het was er altijd druk. Zo druk dat we ons vaak sardientjes voelden. Iedereen droomde van een eigen bokaal. Een met planten en een schatkist. Of nog beter: een paleis. ‘Niet te veel eten’, fluisterde mijn mama wanneer de winkeljuffrouw vlokken in het water strooide. ‘Kleine goudvisjes worden sneller gekozen.’

Op een dag liepen twee kinderen de winkel binnen. ‘Dit is je kans,’ zei mijn moeder, ‘zwem vlug naar boven!’ Ze gaf me een aai over mijn kop en een duw tegen mijn staart. Ik zwom zo snel als ik kon en sprong, sierlijk als een dolfijn, in het netje van de jobstudent. ‘Deze oké, Ana en Jaan?’, vroeg de vader. ‘Ja!’, riepen de kinderen luid. En ze klapten in hun handen.

Thuis werd ik in een groot rechthoekig aquarium gestopt. Er waren planten, stenen en zelfs een paleis met een schatkist. Ana en Jaan zwaaiden naar mij als ze naar school vertrokken, als ze thuiskwamen, als ze aan tafel zaten, stiekem tijdens het huiswerk maken en nog eventjes vlug voor het slapengaan. Ik was zo gelukkig als... ahum... als een vis in het water.

Maar toen kwam de puppy. Zomaar! Niet eens voor een goed rapport of een zere teen. Ineens vonden Ana en Jaan me maar saai. Mijn aquarium werd zo groen dat ik amper nog kon zien wat er in de huiskamer gebeurde. Ik probeerde de aandacht te trekken door achteruit te zwemmen. Je weet wel, zoals Michael Jackson. Maar het mocht niet baten: de kinderen keken liever naar de stomme kunstjes van de hond.

Er moest iets gebeuren. Iets drastisch. Ik besloot om uit mijn aquarium te springen. Een vis die flapperend op de kast belandt, daar zouden ze vast van opkijken! Ik zwom tot aan de bodem, deed twee rondjes aanloop en sprong met een geweldige boog uit het water. ‘Whiehoeee’, riep ik stilletjes. En toen: ‘Uh-ohw!’ Ik sprong zo hoog en zo ver dat ik niet op de kast maar achter de kast op de plint viel. Dagen verstreken, en toen ook de weken. Ik overleefde door kleine kruimels brood in mijn mondje te steken. Maar op een nacht voelde ik plots gekriebel aan mijn staart. Flops! Plots kreeg ik een teen! En toen nog een! En nog een! Een week later had ik twee beentjes. En nog een week later twee armen, en daarna een vacht en een échte mond, zo een met tanden.

Toen kwam ik van achter de kast gekropen. ‘Ehm... blub?’, zei ik. Het gezin schrok zich te pletter. ‘Een... een aap?!’, riep de vader. ‘Een aap die blub zegt?!’, gilde de moeder. Ik wist niet goed wat te zeggen. Het was inderdaad een beetje raar. Dus zei ik: ‘Wat eten we vanavond?’ en schoof vriendelijk glimlachend een bordje bij.

 

Foto: Collectie Broelmuseum Kortrijk

MSK 478

Terug naar overzicht