E.T.

  • Share on:

Zo begint het.

De deurbel gaat. Ik schrik wakker. De man aan de deur is een inbreker die aan prospectie doet. Doe ik open in mijn pyjama, dan overvalt hij mij. Blijf ik liggen, dan denkt hij dat er niemand thuis is. En overvalt hij mij.

Ik blijf liggen, maar kan niet meer slapen. Hoor ik iets? Is de inbreker daar? Er zit een sleutel op de slaapkamerdeur. Die kan ik omdraaien. Draai ik hem om? Blijf ik nog liggen? Ik blijf nog drie kwartier liggen. Dan sta ik op.

Ik zwaai de deur van het toilet open.
(“Vroeger waren er veel inbraken.)
Ik zwaai de deur van de berging open.
(De laatste tijd niet meer.)
Ik kijk achter de koelkast.
(Als je erg hard roept, schrikt de inbreker zo)
Loop vlug buiten, kijk naar de fietsen.
(dat hij gaat lopen.)
Ik zwaai de deur van de badkamer open.
(Allez, ’t is te hopen.”)

Ik zie niemand. En de tv staat er nog. Een tv pak je toch direct mee? Het stelt me even gerust.

Zo gaat het verder.

Ik kijk in de spiegel. Mijn haar is vettig. Shit, ik zal moeten douchen. Ik trek het gordijn zo dicht dat mijn zicht op de badkamerspiegel niet is geblokkeerd. In de spiegel kan ik zien of er niemand de badkamer in komt (wie weet hield de inbreker zich al die tijd schuil achter het muurtje in mijn atelier).

De spiegel dampt aan. De broek die aan het rek hangt zou ook een mens kunnen zijn. Ik piep van achter het gordijn. De broek is broek gebleven, oef.

Niet te veel koffie!
Cafeïne maakt angstig.

Sinds februari tel ik mijn stappen weer. Ik tel hoeveel verlichtingspalen de achteruitkijkspiegel passeren. Hoeveel treden de trap telt (28). Hoeveel gebruikte pads er in het bakje kunnen (13). Hoeveel dagen de baas al niet heeft gemaild (6). Ik tel mijn vrienden. Ik tel mijn kennissen.

In de krant lees ik dat je psychoses krijgt als je teveel nadenkt.

Op de boekvoorstelling zegt iedereen dat mijn haar raar staat. Buiten staan ze te roken. Ik maak een rare grap. Iedereen lacht. Ik weet niet of het met mij of om mij is, maar ik voel me slecht. ‘Neem me mee,’ zeg ik tegen Bert. Ik spring mijn koersfiets op.

NIEUW SPEL: mijn gedachten zitten in mijn kop. Als ik erg hard fiets, fiets ik ze weg. Ik trap en trap en trap en neem de brug in vrije val.

Voor elke vergadering pep ik mij op.
Voor elk evenement pep ik mij op.

Ik kijk 5x naar het filmpje waarin Otto-Jan Ham over zijn angsten vertelt, vooraleer ik die dag naar De Ideale Wereld vertrek. Als hij ook bang is, dan ben ik tenminste niet alleen. Het stelt mij gerust.

Ik zeg steeds vaker dingen af.

Als kind was ik zo bang van E.T. dat mijn bed zo moest staan dat ik zicht had op het raam en op de deur. Ik sprong mijn bed in en de kast moest altijd dicht. Later werd ik bang van de dood. Nu ben ik bang van het leven. Tegelijk voel ik de angst om alles aan mij te laten passeren.

Ik wil ervan af. Ik wil ‘Dag E.T.’ kunnen zeggen.
(En tegelijk: zal ik nog ideeën hebben als ik ervan af ben? Nee maar: stel?)

 

Terug naar overzicht