Berlinde De Bruyckere @ SMAK Gent

  • Share on:

In de eerste zaal een stapeling kreupelhout. Meterslange stammen, samengeknoopt met rafelige stukken stof, gestut met kussens, een schors van was in tinten wit en blauw en rood. Glad maar brokkelig, een dun laagje korrelig zand erover. Op een plankenvloer, in hetzelfde bruingrijs als de bruinen en grijzen die alle kleuren in de stammen met elkaar verbinden. In een zaal, gedimd van licht.

KNAL. Berlinde De Bruyckere heeft me bij mijn middenrif. Ze klemt me vast. Doet me rond haar sculptuur lopen, afstand nemen, dichterbij komen. Voelen… Zou ik? Onmiddellijk kijken twee suppoosten mee over mijn schouder. Ik glimlach, loop verder, buk me, monster verbindingsstukken, wrijf over mijn maag.

Een zaal verder: drie naakte, ranke, verwrongen lichamen in glazen kasten. Het eerste lichaam: twee grote voeten, benige benen, een heup die losgebroken op de andere helft van het lichaam ligt. Dan: een draaiing, een zachte kleine borst, een zachte kleine tepel. Je ziet het kippenvel nog op de tepelhof staan. Zo kwetsbaar.

Bij het tweede lichaam ligt een wassen witblauwe lap vlees op een andere. Ik zeg: ‘het is bijna een kippenborst. Beenhouwerij.’ ‘Haar vader was een beenhouwer,’ zegt mijn vader. 

Ik loop door de zaal met tekeningen van lichamen op bruin geworden papier, door de zaal met geweien aan vleeshaken, door de zaal met de bomen in de hoge glazen kasten. Blijf staan bij de gebogen vrouw met het lange haar. Mijn lichaam wordt zwaar, er steekt iets in mijn armen, het lijkt of ik hoe langer hoe meer kippenborst word. Lichaam, vlees, donker klotsend gevoel in mijn maag. Tegen Bert zeg ik: ‘ik loop vol, het plakt, ik lijk door drijfzand te lopen.’

Dan kom ik in een van de laatste zalen. Een paard hangt met zijn been aan een glanzend lint omhoog. Achter hem: twee wassen lichamen, metershoog op lantaarnpalen. Ze lijken in paniek en gehaast omhoog te klimmen. Jaren geleden leerde mijn vader me: Rond een goeie sculptuur kun je wandelen, ze is interessant lang alle kanten. Ik loop rond de lantaarnpalen, ga zitten, sluit mijn ogen, kijk omhoog. KNAL. De wassen lichamen klimmen niet meer, ze hangen, zijn drapages. Ze hangen zo loom, zo gesmolten, alsof ze elk moment op de grond kunnen vallen. Trekkend vlees. Ik kan niet meer.

Op het balkon dat uitkijkt op de balie en de overkant, ontmoet ik mijn vader en mijn lief. Ik kijk naar de palmbomen beneden, de vrolijke mensen die staan aan te schuiven. Ik kijk naar de overkant. Ik zie de gebogen vrouw met het lange haar staan, eenzaam in haar zaal. Ik huil, ik huil.

Aan Sint-Lucas leerde ik de definitie van ‘unheimlich’ vanbuiten. Vandaag leerde ik het woord ook begrijpen.

berlindedebruyckere

Terug naar overzicht